Veel ouders herkennen het: hun kind leest vlot, maakt huiswerk netjes en lijkt prima mee te komen op school. En toch vallen de resultaten voor begrijpend lezen tegen. “Hij leest het wel, maar snapt het niet echt,” zeggen leerkrachten dan. Dat kan verwarrend zijn, zeker als je als ouder ziet dat je kind moeiteloos boeken leest of technisch goed vooruitgaat.
Vaak ligt de oorzaak niet bij motivatie of intelligentie, maar bij iets veel subtielers: woordenschat. In groep 7 worden teksten inhoudelijk complexer, abstracter en informatiever. Kinderen lopen dan soms tegen een onzichtbare muur aan. Ze kunnen de woorden wel uitspreken, maar begrijpen ze onvoldoende om de tekst echt te doorgronden.
In dit artikel lees je waarom woordenschat zo’n cruciale rol speelt bij begrijpend lezen, hoe die invloed er in de praktijk uitziet en wat jij als ouder kunt doen om je kind te helpen.
Begrijpend lezen bestaat uit meerdere lagen. Een kind moet:
De woorden kunnen lezen (technisch lezen);
De betekenis van die woorden kennen;
Zinnen aan elkaar kunnen koppelen;
Verbanden leggen in de tekst (hoofdgedachte);
Nieuwe informatie verbinden aan wat het al weet.
Als één van die stappen niet goed verloopt, stort het begrip in. En juist woordenschat is daarbij een kwetsbare schakel.
Een kind kan een tekst technisch perfect lezen, maar toch vastlopen als te veel woorden slechts vaag bekend zijn. Het brein moet dan constant “gissen” naar betekenissen, waardoor er te weinig ruimte overblijft om de inhoud te begrijpen.
Woordenschatproblemen zijn vaak lastig te herkennen, omdat het niet altijd gaat om woorden die een kind helemaal niet kent. Het gaat juist vaak om woorden die een kind denkt te kennen, maar niet goed genoeg begrijpt.
Voorbeeld:
In een tekst staat de zin: “De uitvinding had grote gevolgen voor de manier waarop mensen met elkaar communiceerden.”
Een kind kan alle woorden lezen en zelfs herkennen, maar als begrippen als gevolgen of communiceren niet stevig verankerd zijn, blijft de zin vaag. Het kind begrijpt dan misschien dat het “belangrijk” was, maar niet waarom of hoe.
Dat voelt voor het kind alsof het begrijpt wat het leest, terwijl het begrip eigenlijk oppervlakkig blijft.
In groep 7 verandert het soort teksten dat kinderen lezen. Er komen meer:
informatieve teksten
abstracte begrippen
vaktaal (bijvoorbeeld bij aardrijkskunde en geschiedenis)
langere zinnen met meerdere verbanden
Tot en met groep 6 kunnen kinderen vaak nog veel begrijpen met behulp van context, plaatjes en verhaalstructuur. In groep 7 is dat minder vanzelfsprekend. Teksten worden zakelijker en minder verhalend. Dan blijkt ineens hoe groot de woordenschat echt is. (Lees ook: begrijpend lezen zonder tekst.)
Een beperkte woordenschat zorgt er dan voor dat:
zinnen meerdere keren gelezen moeten worden
verbanden niet worden herkend
hoofd- en bijzaken door elkaar gaan lopen
begrijpend-lezen-vragen moeilijker worden
Neem deze zin: “De bewoners moesten evacueren vanwege de dreigende overstroming.”
Als een kind het woord evacueren niet kent, mist het de kern van de zin. De rest van de informatie (dreiging, overstroming) verliest daardoor betekenis. Eén onbekend sleutelwoord kan ervoor zorgen dat een hele alinea niet begrepen wordt.
Voor volwassenen is dat nauwelijks voor te stellen, maar voor kinderen gebeurt dit dagelijks.
In groep 7 krijgen kinderen veel te maken met abstracte woorden zoals:
oorzaak
gevolg
invloed
proces
ontwikkeling
standpunt
Deze woorden zijn lastig omdat je ze niet kunt aanwijzen of tekenen. Een kind kan ze herkennen, maar toch moeite hebben om ze toe te passen in een tekst.
Als een vraag luidt: “Wat is het gevolg van deze gebeurtenis?”
en het begrip gevolg niet goed is ingesleten, kan een kind het antwoord niet formuleren, ook al heeft het de tekst gelezen.
Veel kinderen geven niet aan dat ze woorden niet begrijpen. Ze:
schamen zich;
denken dat zij het probleem zijn;
proberen het te raden;
lezen door zonder echt te snappen wat er staat.
Als ouder zie je dan een kind dat braaf leest, maar toch lage scores haalt. Dat kan frustrerend zijn, voor het kind én voor jou.
Je hoeft geen leerkracht te zijn om de woordenschat van je kind te ondersteunen. Kleine, dagelijkse acties maken al verschil.
Vraag niet alleen: “Waar ging het verhaal over?”
maar ook: “Welke woorden vond je moeilijk?” en “Wat denk jij dat dat woord betekent?”
Laat zien hoe jij omgaat met lastige woorden. Bijvoorbeeld: “Dit woord ken ik niet precies, maar uit de zin denk ik dat het betekent…”
Zo leert je kind dat niet alles meteen duidelijk hoeft te zijn.
Woorden blijven beter hangen als ze vaker terugkomen. Gebruik nieuwe woorden in gesprekken, bij het nieuws of tijdens het koken. Zo worden ze onderdeel van de actieve woordenschat.
Ook gesprekken, podcasts, documentaires en informatieve filmpjes dragen bij aan woordenschat. Bespreek wat je samen ziet of hoort.
Zegt je kind: “Ik snap die teksten gewoon niet,” dan kan dat een aanwijzing zijn dat de woordenschat onder druk staat, niet dat je kind “niet goed kan lezen”.
Een groeiende woordenschat doet meer dan alleen het leesbegrip verbeteren. Kinderen:
voelen zich zekerder;
durven vragen te stellen;
begrijpen instructies beter;
presteren sterker bij alle vakken.
Woordenschat is geen bijzaak, maar een fundament.
De invloed van woordenschat op begrijpend lezen is groot, maar vaak onzichtbaar. In groep 7 kan die onzichtbare muur ineens voelbaar worden, juist doordat teksten complexer worden. Begrijpend lezen lukt dan niet omdat kinderen niet slim genoeg zijn, maar omdat ze te weinig grip hebben op de woorden die de tekst dragen.
Door als ouder oog te hebben voor woordenschat en er bewust mee bezig te zijn, help je je kind die muur stukje bij beetje af te breken. Dat levert niet alleen betere resultaten op, maar vooral meer begrip, vertrouwen en leesplezier. Voor een goede voorbereiding op de lvs-toetsen, zoals IEP, Dia, Boom en Leerling in Beeld, is een uitgebreide woordenschat essentieel.